Neolithicum in het Hageland

Neolithicum: inleiding

De archeologie van het neolithicum onderzoekt de vroegste landbouwerssamenlevingen in hun toenmalige milieu, op basis van achtergelaten en bewaarde materiële sporen en resten. Het neolithicum kan beschouwd worden als een van de belangrijkste en meest fundamentele transformaties in de menselijke voorgeschiedenis. Een economische omslag ging gepaard met een hele reeks sociale, culturele en ideologische veranderingen. Economisch was de mens niet langer aangewezen op wat de natuur te bieden had; hij slaagde erin plant en dier te domesticeren. Voor de mens resulteerde dit in een betere controle op de opbrengst van gewassen en huisdieren, een mogelijkheid tot sedentarisatie en opslag van voorraden en een grotere opbrengst per oppervlakte. Het resulteerde ook in bevolkingsgroei die een reeks van ontwikkelingen in gang zette, die uiteindelijk aanleiding gaf tot het ontstaan van steden, schrift en complexere sociale samenlevingsverbanden.

Vroeg-Neolithicum (7.300-6.800 jaar geleden)

In het Hageland werden tot nu toe geen sporen van de vroegste neolithische boeren die tot de Bandkeramiekcultuur behoren (7000 jaar geleden) teruggevonden. Afkomstig uit Oost-Europa koloniseren ze slechts de vruchtbaarste, zacht hellende leemgronden ten zuiden van de meer zandige streken. Het eerste vaatwerk, de eerste voedingsgewassen en gedomesticeerde dieren worden geïntroduceerd. In deze periode gaan mensen voor het eerst hun omgeving aanpassen aan hun behoeften: bossen worden gekapt om plaats te maken voor weiden en akkers.

Reconstructietekening van een Vroeg-Neolithische nederzetting: het bos maakt plaats voor mens en dier. Brobbel in: Bloemers et.al. 1981: 37

Om plaats te maken voor akkers en nederzettingen wordt het eikenbos gerooid met behulp van stenen bijlen en dissels. Sikkels en maalstenen zijn nodig voor het oogsten en het malen van graan. Naast runderen komen in de veekraal ook geiten, schapen en varkens voor. De landbouw levert voor het eerst aantoonbaar een overschot op, zodat er geruild kan worden. Centrum van alle activiteiten zijn de NW-ZO georiënteerde permanente woonstalhuizen, voorzien van een dakbedekking uit stro of riet, die gesteund wordt door houten palen, en met leem bestreken wanden van vlechtwerk. De huizen uit deze periode, die onderdak bieden aan mens en dier, waren zeer groot: 5 tot 8 op 20 tot 40 meter. Wetenschappers gebruiken in navolging van Gordon Childe de term ‘Neolithische revolutie’ om de impact van de economische en culturele veranderingen aan te duiden. Deze uitdrukking is evenwel misleidend, aangezien ze het beeld oproept van een plotselinge en radicale omslag. In de eerste plaats is er geen sprake van een omslag in de voedselstrategie van jagen en verzamelen, met volledige afhankelijkheid van de natuur, in landbouw, met volledige manipulatie daarvan. In de tweede plaats heeft de ontwikkeling zich niet in een kort tijdsbestek afgespeeld, zelfs niet binnen een millennium.

Het gaat daarentegen om een keten van opeenvolgende innovaties in de relatie tussen mens en natuur, met belangrijke gevolgen voor plaatskeuze, nederzettingspatroon, sociale organisatie en dergelijke. Met de domesticatie van gewassen en diersoorten hangen in elk geval drie ontwikkelingen samen, die archeologisch duidelijke traceerbaar zijn: 1) de ontwikkeling van een sedentair bestaan waarbij het verblijf op vaste plaatsen mogelijk wordt door de hogere opbrengst dan met jagen en verzamelen op hetzelfde areaal mogelijk is. Huizen nemen de plaats in van verplaatsbare hutten; 2) de productie van geslepen stenen hakwerktuigen, zoals bijl- en disselklingen, hulpmiddelen bij het kappen van bos en het aanleggen van akkers en woonplaatsen (zoals de gepolijste bijl gevonden in de Broekstraat); en 3) het gebruik van aardewerk. Deze kwetsbare en zware voorwerpen zijn bij een sedentair bestaan veel beter bruikbaar dan bij een mobiel leefpatroon.

Op de minder vruchtbare gronden van Oost-Brabant blijft de Mesolithische traditie van jagers-verzamelaars nog lang doorwerken. Het prospectiemateriaal van een 60-tal sites werd door Vermeersch in de jaren ’70 van vorige eeuw onderzocht en toegeschreven aan deze ‘hybride’ cultuur die hij als het Neolithiserend Mesolithicum betitelde. Recent onderzoek toont echter aan dat deze these achterhaald is en dat er in dit geval wel degelijk sprake is van associatie met Bandkeramische (/Blicquy) of Michelberggroepen.

Armbanden (en halffabrikaten) uit schist, gemaakt in de Blicquy-traditie en gevonden te Bekkevoort op de Delberg. (Collectie De Cock – Gommers)

Na de periode van de Bandkeramiek verschijnt een tweede Vroeg-Neolitische cultuur op min of meer dezelfde locaties in de Belgische leemstreek, de zogenaamde Group de Blicquy. Een 20-tal jaren geleden werd in Bekkevoort op de Delberg een site gevonden die op een mogelijke aanwezigheid van mensen van de Group de Blicquy in onze streek wijst.

Midden- en Laat-Neolithicum/ Michelsbergcultuur (6.300-5.800 jaar geleden)

Na een periode van tenminste 500 jaar waarvoor we geen neolithische bewoning kennen, verschijnt de Michelsbergcultuur. Sporen van deze cultuur komen frequent voor, ook in het Hageland, voornamelijk in de vorm van concentraties steenmateriaal die mogelijk wijzen op het bestaan van kleine nederzettingen. De aanwezigheid van uitheemse silex van uitstekende kwaliteit, ontgonnen in vuursteenmijnen, is kenmerkend voor deze periode. De silex wordt ingevoerd in de vorm van bijlen en grote, brede klingen. In de assemblages vindt men afslagschrabbers en grote hoefschrabbers, tweeslagmiddenstekers, middenstekers op afknotting en meervoudige stekers naast bladvormige spitsen en bijltjes op afslag. Het handgevormd keramisch materiaal wordt met verbrand botmateriaal verrijkt.

Afslagbijltjes gevonden op de Hermansheuvel (Vermeersch 1976: fig. 13)

De Hermansheuvel in Assent bevat één van drie gekende Midden-Neolithische enclosure sites uit Vlaanderen. Dergelijke sites kenmerken het nederzettingssysteem van de vroegste landbouwers in grote delen van het Noordwest-Europese leemgebied. Sinds de jaren 1950 werden er door verschillende lokale en regionale amateur-archeologen prospecties uitgevoerd op de heuvel. Zij hebben inmiddels een indrukwekkende collectie vondsten aangelegd, maar het exacte aantal vondsten is onbekend. Schattingen lopen uiteen van 20.000 tot wel 100.000 artefacten. Toch werd, ondanks de overvloed aan stenen werktuigen, pas in 2004 en 2005 de aanwezigheid van een dubbele omheiningsgracht in deze zone vastgesteld op basis van luchtfotografie. In de zomer van 2011 bevestigden de resultaten van een proefsleuvenonderzoek die bevindingen. Hoe we de site dienen te interpreteren is een vraag die vooralsnog niet beantwoord kan worden. Was dit een eigenlijke nederzetting waar mensen woonden en landbouw bedreven? Werden de grachten aangelegd ter verdediging? Of moeten we ze eerder zien als een uiting van samenhorigheid (cfr. Stonehenge, Avebury Hill, etc.) – een bouwwerk dat door de gemeenschap op een bijzondere plaats in het landschap werd opgericht, misschien als een soort van religieuze plaats? Speelde de site bovenop de Hermansheuvel dus een rol van bovenlokaal belang ? Is het een werk van één generatie of was het een plaats waar er gedurende verschillende eeuwen naar terug gekomen en aan gewerkt werd?

 

De dubbele grachtstructuur van het aardwerk was in de zomer van 2004 duidelijk waarneembaar vanuit de lucht (Lodewijckx et.al. 2005: 167)

Overzichtskaart van het site op de Hermansheuvel met aanduiding van de grachten (Lodewijckx et.al. 2005: 167)

Na het verdwijnen van de Michelsbergcultuur is er opnieuw een hiaat in bewoning vast te stellen. Van de daaropvolgende neolithische culturen, Hazendonkgroep, Vlaardingen, Seine-Oise-Marne, Deûle-Escaut, en bekerculturen zijn geen sporen teruggevonden in onze regio.