Michelsbergcultuur

Intermezzo: van waar de naam?

De Michelsbergcultuur is vernoemd naar de Michaelsberg bij het Beierse plaatsje Untergrombach (Baden-Württemberg). De Michaelsberg ligt op de overgang van het heuvelland naar de Rijnvlakte. Op deze heuvel werden in 1884 enkele scherven gevonden door Karl August von Cohausen, de conservator van toenmalige provincie Hessen-Nassau. Die werden door hemzelf beschreven als ‘An sich wertlos, könnten sie doch einen kleinen Beitrag zur Altertumsstatistik jednes ausgezeichneten Punktes geben.’ Die vondst kan gezien worden als de geboorte van de Michelsbergcultuur.

Naar aanleiding van deze vondsten zouden van 1888 tot in 1899 diverse opgravingscampagnes op de Michaelsberg plaatsvinden. Er werden diverse kuilen en graven opgetekend, die op een aardwerk waren bijgezet. Daarbij werden verschillende begravingen gevonden, evenals bijzondere kuilen met één of meerdere schedels en vondsten zoals runderhoornen en (delen van) karakteristieke tulpbekers. Recent onderzoek heeft aangetoond dat op de top van de Michaelsberg een omgracht aardewerk ligt en dat plaatselijk twee, soms drie, grachten kunnen onderscheiden worden.

Inleiding

Met de Michelsberg-cultuur voltrekt zich een nieuwe transformatie in het nederzettingssysteem. Net als elders in West- en Noord Europa richtten ook in België en het Rijnland de boerengemeenschappen ‘centrale plaatsen’ in. Dit zijn terreinen met afmetingen tot enkele tientallen hectaren. Deze zijn omgeven door brede grachten met vlakke bodem, waarbij de uitgegraven grond werd benut voor een wal; al of niet begeleid met massieve palissaden van gekloofde stammen. In deze structuren zijn smalle ingangen uitgespaard. Sommige ervan zijn verschillende malen vernieuwd, wat op langdurig gebruik wijst. Deze monumenten liggen op een heuveltop, in de bocht van een dipe ingesneden meander, maar ook wel onder aan een helling of op een plaats zonder opmerkelijke geomorfologie.

Over de functie van deze ‘causewayed enclosures’ of ‘interrupted ditch systems’ wordt een uitgebreide discussie gevoerd. In sommige landen (Groot-Brittannië en Denemarken) is een primaire rituele functie, inclusief bijzondere vormen van dodenbehandeling, duidelijk aangetoond. Voor de monumenten in onze regio valt er niet veel meer te zeggen dan dat het geen nederzettingen zijn, maar centrale plaatsen van grotere sociale eenheden, zoals stammen of onderdelen daarvan, met een meervoudige, complexe functie. Door hun formaat, hun vondstenrijkdom en ontdekkingskans (ook op luchtfoto’s!) beheersen ze het archeologische beeld dat we hebben van de Michelsbergcultuur.

‘Normale’ nederzettingen ontsnappen tot nu toe grotendeels aan de aandacht, door de beperktere omvang, door hellingerosie en afdekking met colluvium. Zulke sites zijn veelvuldig gekarteerd, maar nog maar weinig opgegraven. Over huizen en lay-out is dan ook nauwelijks iets te zeggen. In Thieusies (Henegouwen) werden plattegronden van keline, rechthoekige huizen opgetekend, te Mayen (bij Koblenz, Duitsland) kleine vierkante hutten met een verzonken vloer en een centrale staander. Spectaculair zijn de zeer grote plattegronden van Mairy (bij Sedan in de Franse Ardennen).

Datering

Er wordt meestal gesteld dat de Michelsbergcultuur ronde 4200 v. Chr. aanvangt. Deze datering is, gezien de problematische C14dateringen grotendeels gebaseerd op de ontwikkeling van de aardewerkvormen in het Rijnland. Na 3850 v. Chr. zouden er in Vlaanderen geen dateringen meer beschikbaar zijn voor midden-Neolithische sites en begint er een kennisleemte.

Aardewerk

Tot het vrij uitgebreide klassieke Michelsberg vormenrepertorium horen de kenmerkende tulpbekers, grote kruiken met doorboorde knobbeloren, voorraadpotten met omgeslagen randen en besmeerd oppervlak, lepels en ronde aardewerken schijven (zogenaamde ‘bakplaten’). Het oppervlak van het aardewerk is meestal goed gepolijst en heeft daardoor een karakteristiek uiterlijk van gehamerd leer. In de loop van de Michelsbergcultuur neemt de diversiteit van de aardewerkvormen toe; tulpbekers nemen in frequentie af, terwijl schotels toenemen.

Uit onderzoek blijkt dat veel regionale aardewerkstijlen in de Michelsbergcultuur voorkomen, terwijl andere elementen, zoals vuursteentypologie en sitetypen over grote gebieden vergelijkbaar zijn. Een van de meest typerende elementen is de rolopbouwtechniek en een organische component als magering (bijvoeging in de klei). Daarnaast wordt er ook vaak gebroken vuursteen aan de klei toegevoegd. De relatief dunne wanden en de goed gegladde of licht gepolijste oppervlakken wijzen op een verzorgde constructie en afwerking. De baktemperatuur is overwegend laag. Het bakken gebeurde vermoedelijk in goed gecontroleerde, open vuren. De structuur van de scherven wijst erop dat de oorspronkelijke bakomstandigheden van het meeste aardewerk reducerend waren (goed afgesloten, zuurstof-arme ovens, zodoende de koolstof de omgeving niet kan verlaten en het aardewerk donker kleurt), terwijl afkoeling in de open lucht in een oxiderend (zuurstofrijk) milieu plaatsvond.

Vuursteen

Vuursteen is een algemene vondstgroep op de Michelbergvindplaatsen. Het aantal kan uiteenlopen van enkele honderden stukken tot vele duizenden artefacten. In het Hageland worden er vooral vuurstenen van het type Rijckholt, lichtgrijs Belgisch (Haspengouw) en Valkenburgvuursteen gebruikt, maar er werd ook gerolde vuursteen verzameld.

Bij de bewerking van vuursteen moet onderscheid worden gemaakt tussen gemijnde en niet-gemijnde vuursteen?. Allereerst is er import van gebruiksklare afslagen, klingen en (halffabricaten van) bijlen van vuursteenmijnen, dat lokaal werd gebruikt. Deze producten zijn over grote afstanden gedistribueerd. Ook is er het gebruik van vuursteenknollen, die lokaal werden verwerkt. In de nederzettingen worden wel werktuigen van gemijnde vuursteen aangetroffen (spitsklingen, macrolitische schrabbers en bijlen), wat duidt op intensieve contacten met de vuursteenmijnen.

De werktuigen van de Michelsberg bestaan uit een redelijk uitgebreid spectrum. Vooral een brede variatie aan schrabbers komt op veel vindplaatsen voor. Typerend is dat ze vaak na intensief gebruik, gebroken en versleten zijn weggegooid.

Daarnaast komen ook gepolijste vuurstenen bijlen algemeen voor, naast bijlen of afslag en pijlspitsen. Duidelijk herkenbare sikkelmesjes waarmee graan werd geoogst ontbreken in het spectrum, wat mogelijk duid op een eerder veeteelt-georienteerde levensstijl.

Daarnaast komen ook bijlen, klopstenen of maalstenen voor in hardsteen.

Types sites

Nederzettingen

De bekende nederzettingen kenmerken zich enerzijds door concentraties aardewerk en lithisch materiaal en anderzijds door afval- en paalkuilen. Wat veelal ook resteert zijn opeenhopingen van cirkelvormige kuilen, die in de regel als voorraadkuilen worden bestempeld. De meest bekende bouwwerken zijn lichte constructies in hout. De Belgische Michelsbergvindplaatsen zijn veelal gelegen op zorgvuldig gekozen plekken in het landschap. Het gaat daarbij bij voorkeur om plateaus die zijn omgeven door steile hellingen, op een landtong tussen waterlopen.

Nederzettingen met gebouwplattegronden zijn dus erg zeldzaam. De opgegraven gebouwplattegronden zijn bijna altijd verdiept (met verzonken vloer) aangelegde trapeziumvormige plattegronden en een centrale haardstructuur.

Vuursteenmijnen

Vanaf circa 3950 v. Chr. werd vuursteen gewonnen middels dagbouw en mijnbouw. Dergelijke vuursteenmijnen zijn hoofdzakelijk bekend van de kalksteengebieden zoals Jandrain-Jandrenouilles (Orp-le-Grand, Luik), Spiennes en de aangrenzende kalkgebieden in Zuid-Nederland zoals Rijkholt-St. Geertruid en Valkenburg. In Spiennes zijn vier vuursteenateliers onderzocht. De vindplaats ligt op een kaap van een plateau dat is aangesneden door de beek La Trouille. Op een oppervlak van 80m² werden meer dan drie mijnschachten opgetekend. Gevonden werktuigen dei werden geassocieerd met het winnen en de verwerking van vuursteen zijn hamers van vuursteen, maar ook hakken van hout en gewei. Daarnaast zijn veel halffabricaten van bijlen en robuuste bewerkte afslagen en klingen gebruikt.

Begravingen

Grafvelden van de Michelsberg ontbreken geheel en het contrast met de oudere Neolithische culturen is in dit opzicht groot. Het ontbreken van begravingen op de zand- en lössgronden is vermoedelijk voor een groot deel te wijten aan de slechte conserveringsomstandigheden, aangezien menselijke resten wel in verschillende vindplaatsen binnen het hele verspreidingsgebied van de Michelsberg voorkomen. Meestal zijn complete skeletten bijgezet in kuilen. Dergelijke begravingen zijn echter nooit gegroepeerd. Als er al bijgaven zijn, blijven deze beperkt tot één of twee stukken vaatwerk en enkele eenvoudige sierraden. Al bij al moet er geconcludeerd worden dat er bitter weinig bekend is van het gewone grafritueel in de Michelsbergcultuur.

Aardwerken

Aardwerken zijn de meest tot de verbeelding sprekende sites van de Michelsberg. Het zijn de beste onderzochte en tegelijkertijd de meest karakteristieke vindplaatstypen. Al na de eerste opgravingen op de Michelsberg - en de volgende onderzoeken te Mayen (1910) en Urmitz (1935-1947) - werd de nauwe band tussen de Michelsbergcultuur en aardwerken duidelijk. Aardwerken zijn terreinen van enkele hectaren tot wel 100ha groot, die worden begrensd door (onderbroken) grachten met wallen en soms ook palissaden, die uit één of meerdere fases bestaan. Ze liggen bijna allemaal op een hoog punt in het landschap, vaak een kaap of een hevel. Inde regel worden ze aan enkele kanten begrensd door een steile helling. Typisch zijn de grote hoeveelheden vondsten met name bij de onderbrekingen van de walstructuren. Het kan gaan om nederzettingsafval, maar ook om deposities van complete potten, runderschedels of –hoornen, complete dierskeletten en zelfs menselijke resten. Het begrensde terrein wordt ook wel het binnenterrein genoemd. De binnenterreinen blinken uit in hun afwezigheid van sporen. Als er al sporen voorkomen, dan gaat het doorgaans om afvalkuilen. Hierin komen vergelijkbare vondsten voor als in de grachten. Slechts op enkele aardewerken zijn plattegronden van gebouwen vastgesteld; in Thieusies, de Kemmelberg, Urmitz en in Mairy-Les Hautes Chanvières.

In het verleden werd, afhankelijk van de ontdekking en de tijdsgeest, een grote rol toegekend aan aspecten als fortificatie (versterkte nederzetting), economie (veekraal en marktplaats), politiek (bijeenkomst plaats) of religie (terrein waar rituele handelingen worden verricht). Consensus over de interpretatie ontbreekt vandaag de dag echter volledig.

Aardwerken met onderbroken greppels maken deel uit van een lange Neolithische traditie. De oudst bekendste aardwerken dateren uit de Lineaire Bandkeramiek en zijn te dateren tussen 4800 en 4500 v. Chr. De oudste aardwerken die kunnen geassocieerd worden met de Michelsbergcultuur duiken op rond 4400 v. Chr. in het Bekken van Parijs. Ze vormen een fenomeen dat ruim 700 jaar zal bestaan.

In veel regio’s waar de Michelsberg later haar intrede doet, ontbreken de aardwerken tot nog toe volledig. Dit voedt de hypothese dat zich alleen op de pioniersnederzettingen centrale plaatsen in de vorm van aardwerken ontwikkelden. Arbeidsintensieve werkzaamheden zoals het openleggen van het terrein, het uitgraven van de grachten, opwerpen van wallen en bouwen van palissaden zijn immers makkelijker door een grote groep uit te voeren dan door een individuele gemeenschap. Mogelijk hadden aardwerken een functie voor een heel netwerk van gemeenschappen, waarvan de ruimtelijke omvang en bevolkingsdichtheid afhankelijk was van bepaalde (sociale?) factoren die archeologisch onzichtbaar zijn. Volgens sommigen bestond het nederzettingssysteem van de Michelsbergcultuur uit (onversterkte) nederzettingen van enkele gegroepeerde of geïsoleerde boerderijen, die min of meer geclusterd in territoria lagen. Naast de nederzettingen waren er ook tijdelijke kleien kampementen of satellietsites binnen dergelijke territoria die kortstondig gebruikt werden. In dit model fungeerden aardwerken wellicht als plekken van supra-regionaal belang, mede gezien de typische landschappelijke ligging, hun spreiding binnen het Michelsberg gebied en de energie-investering die het oprichten ervan vereiste. Probleem is echter dat in bepaalde regio’s wel forse aantallen Michelsbergvindplaatsen gekend zijn, maar nauwelijks of geen aardwerken, zoals in de Kempen of vrijwel geheel zuid-Nederland. De vraag is, in hoeverre deze (vrijwel gehele) afwezigheid is ingegeven door de afwijkende geomorfologie en het grotendeels ontbreken van geschikte plekken om aardwerken aan te leggen, en in hoeverre andere factoren hier ten grondslag aan liggen. Tot op heden zijn er 121 aardwerken bekend; 96 in Duitsland, 14 in Frankrijk, 9 in België, 1 in Tsjechië en 1 in Nederland.

Economie

De landbouw (akkerbouw en veeteelt) was de belangrijkste bestaansbasis in de Michelsbergcultuur.De boerderijen werden vermoedelijk bewoond gedurende de levensduur van het gebouw of totdat de grond van de kleinschalige akkertjes uitgeput was. Na verloop van tijd ontstond op die manier een lappendeken van in gebruik zijnde akkertjes en akkers in diverse stadia van regeneratie. In sommige gevallen bevonden nederzettingen zich in een weide; andere nederzettingen waren nog omgeven door oerbos.

De bijdrage van de opbrengst op wild was beperkt. Gezien de grote variatie in locatiekeuzen van nederzettingen van de Michelsbergcultuur is het goed mogelijk dat het aandeel van veeteelt/jacht en akkerbouw/verzamelen per regio verschilde. Bovendien is het logisch te veronderstellen dat het aandeel van de jacht en verzamelen groter was in perioden met een slechte oogst of andersoortige voedseltekorten.

Vegetatie

Ten tijde van de Michelsbergcultuur bestond de vegetatie op het löss- en het zandgebied uit dichte lindebossen en in de lage delen van de rivierdalen uit elzenbroekbossen. Op de hogere delen van deze dalen groeide het gemend eikenbos met beuken, linden, haagbeuk, essen en onder meer hazelaarstruiken, terwijl in de lagere delen meer iep en els voorkwamen. Gedurende de hele periode van de Michelsbergcultuur trad op kleine schaal ontbossing op voor de aanleg van aardwerken, kleinschalige akkers en mogelijk ook weilanden. Door deze ontwikkelingen nam het aandeel van de grassen en grasachtigen toe. De linde had zich sterk uitgebreid, wat erop zou kunnen wijzen dat de bossen niet langer werden gebruikt voor het weiden van vee of het verzamelen van loof. Uit recent onderzoek blijkt dat het oerbos tijdens deze periode geleidelijk opener werd. Dit wijst erop dat de bossen intensiever en grootschaliger werden gebruikt.

Sociale differentiatie

Lange tijd is verondersteld dat de Michelsbergcultuur een egalitaire samenleving vormde, tegenover de oorlogszuchtige laat-neolithische culturen. De aanleg van aardwerken zou gepaard gegaan zijn met het verzetten van grote hoeveelheden grond en het kappen van honderden bomen voor de bouw van de palissades. Er is volop discussie of dergelijke inspanningen kunnen verricht zijn door een egalitaire maatschappij. Ethnologisch onderzoek werd vroeger vaak gebruikt om te beargumenteren dat de aanleg van grote aardwerken alleen kon worden uitgevoerd door een samenleving met een hoofdman die de macht heeft en indien noodzakelijk ook geweld kon gebruiken om hiertoe een grote groep mensen te mobiliseren. Onderzoek heeft tot nog toe weinig opgeleverd met betrekking tot de sociale verhoudingen binnen de Michelsbergmaatschappij. De site in Mairy – Les Hautes Chanvierères in de Franse Ardennen is de enige onderzochte nederzetting waar tot dus ver sociale stratificatie kon worden onderscheiden, op basis van diversiteit in gebouwstructuren.

Waardevolle voorwerpen wijzen op sociale ongelijkheid. Dergelijke stukken blijven echter zeldzaam, ook buiten de grafcontext en zijn moeilijke te interpreteren. Vanwege het geringe aantal bijgaven en het ontbreken van secundaire bijzettingen in graven (in tegenstelling tot de latere megalithische structuren) wordt de Michelsbergcultuur tegenwoordig als een overwegend egalitaire maatschappij beschouwd.

Interne sociale netwerken

De interne sociale relaties kunnen tot op enige hoogte worden afgeleid van vondsten en de relaties tussen de verschillende typen sites. Binnen het midden Neolithicum leiden technische en stilistische ontwikkelingen ertoe dat enkele aardewerkgroepen kunnen worden onderscheiden, zoals vb. de Groep van Spiere, naar de site Spiere – De Hel (Oost-Vlaanderen). Een ander fenomeen dat licht kan schijnen op de interne sociale netwerken binnen een Michelsberggemeenschap zijn de vuursteenmijnen. De mijnbouw en vuursteenbewerking waren vermoedelijk afkomstig uit gemeenschappen in de omgeving en verbleven tijdelijk bij de mijnen. Er wordt verondersteld dat mijnbouw een activiteit was die tevens de sociale banden binnen de gemeenschap versterkte omdat het geode communicatie en organisatie vereiste. Door samenwerking en overleg konden conflicten of strijdige belangen gemakkelijker worden opgelost of voorkomen. Het afbakenen van territoria of geschillen over weidegrond of akkerarealen kunnen in een landbouwgemeenschap bronnen van conflicten zijn. Een dergelijke rol wordt ook wel eens voor aardwerken verondersteld.

Over grote delen van Europa komen vergelijkbare fenomenen in de Michelsbergcultuur voor. Niet alleen wat aardwerken en vuursteenmijnen betreft, maar ook wat vondsten aangaat. Aardewerk functioneert op regionaal niveau terwijl de grote verspreiding van vuursteen daarentegen duidt op eerder interregionale netwerken. Ook het plegen van veeteelt en akkerbouw, waarbij dezelfde gewassen in het zuiden van Duitsland, Zwitserland en het zuiden van Nederland worden geteeld, veronderstelt contacten over grote afstand. Naast handel en ruil in materialen en kennis is het ook mogelijk dat er personen zijn uitgewisseld of dat mensen over grotere afstanden reisden. Daarbij kan gedacht worden aan huwelijkspartners, vuursteensmeden etc.