Punt 12 erfgoedwandeling Molenbeek - Aan het Doorntje op het Plasveld

Plaatje augustus 1940: de oogst staat te rijpen op het Vlasrodeveld

De Plasveldweg verwijst naar de drassige velden waar hij doorheen loopt. Elke natte winter stort het water er zich in diepe geulen naar beneden. Het veld zelf heet van oudsher het Vlasrodeveld. Vlas komt van het middeleeuwse woord Vlaas wat natte plek betekent en rode van gerooid bos. Eigenlijk betekent de oude en de nieuwe benaming juist hetzelfde: 'nat veld'. 

Op de kruising met een naar boven lopend veldweggetje stond een meidoorn met een Onze-Lieve-Vrouwkapelletje erin. Dit kapelletje stond in de volksmond bekend als ‘het Doorntje’. Hier werd in de maand mei gebeden, hield men halt tijdens de tochten bij Kruisdagen en maakte de jeugd stiekem afspraakjes. 

Langs dit omhooglopend weggetje was op 17 augustus 1940 een voorpost van het Belgische leger opgesteld. Van hieruit zag men, verscholen in de loopgraven, de vijand van ver naderen. Die avond kwam het tot een treffen met enkele waarnemingsposten langs de Tiensebaan, die de vijand ophield. ‘s Nachts trokken de Belgen zich in alle stilte terug naar St.-Joris-Winge. Wersbeek stond in lichterlaaien.


De verplaatste reensteen

Begin vorige eeuw woonde er in een lemen huisje aan het Bonneke een oud vrouwtje. Angèle was haar naam. Ze hielp regelmatig bij bevallingen. Daarvoor werd ze zeer geprezen, maar ook wel geschuwd. Mensen die zich bezighielden met leven en dood werden soms scheef bekeken omdat men dacht dat ze met de duivel omgingen. Maar wie Angèle goed kende wist dat ze een doodbrave vrouw was. Daarom vertelde ze enkel aan haar beste vriendin wat haar die nacht, toen ze terug naar huis kwam na een moeilijke bevalling, was overkomen. 

Moe van het stappen zette ik me even te rusten op een boomstronk naast de weg en dommelde in. Plots werd ik gewekt door een geritsel vanuit het struikgewas en een klagende stem die voortdurend jammerde: 'Waar moet ik hem zetten, waar moet ik hem doen?' Ik zag een schim door het gebladerte bewegen die iets zwaars op zijn rug droeg, dat leek op een grote, lange steen. Toen herinnerde ik me wat mijn vader had verteld van die boer die een reensteen[1] had verplaatst en wiens geest, door wroeging gekweld, rusteloos ronddwaalde door de bossen. Ineens kreeg ik een ingeving en riep: 'Zet hem waar hij moet staan.' Mijn woorden waren nog niet koud of ik hoorde een hels gedaver en een doffe bonk. Het werd muisstil. De volgende morgen moest ik opnieuw voorbij die plek om de nazorg van de geboorte te regelen. Ik zag daar een troepje boeren verwonderd staan kijken rond een steen langs de weg. 'Die heb ik hier nog nooit weten staan,' zei Tales, 'en het is precies alsof hij hier altijd al gestaan heeft.' Het gras groeide immers tot aan zijn voet en er was geen enkel graafspoor te bespeuren. Ik zweeg wijselijk toen ik hen passeerde, ze zouden mij toch niet geloofd hebben. Nadien heeft nooit nog iemand iets gehoord van die geest die ronddoolde door de bossen. En als de steen niet door een boer per ongeluk met zijn grote ploeg is omvergereden, staat hij er nu nog altijd. Waar... dat is ons geheim.

Naar een verhaal uit de nieuwsbrief Baconisvado juni 2013 van Heemkring Bekkevoort

[1] Een reensteen is gewesttaal voor een stenen grenspaal tussen twee percelen land.

Deel deze pagina